6 maart 2008
(bron: De Volkskrant)
De Nederlandse militairen in Uruzgan verheugen zich op de komst van een medisch team uit Singapore. Het veldhospitaal, zo hopen veel soldaten, wordt spoedig bemand door zorgzame Singapore Girls in elegante sarong kebaya’s.
Het is slechts één voorbeeld van de internationalisering die dit jaar plaatsheeft in Kamp Holland. In de eetzaal worden Nederlandse, Australische en Amerikaanse uniformen spoedig vergezeld door camouflagepakken uit Frankrijk, Hongarije, Tsjechië, Slowakije, Singapore en mogelijk Georgië.
De vraag dringt zich op: is dat goed of slecht nieuws voor de missie in Uruzgan?
Alle beetjes helpen. Nederland beschikt in Uruzgan slechts over een paar honderd infanteristen die daadwerkelijk de poort uitgaan om in omliggende dorpen de veiligheid te verhogen. Ter vergelijking: de Amsterdamse politie zet evenveel agenten in bij een risicowedstrijd in de Arena.
Dus 70 Fransen, ruim 50 Tjechen, 50 Slowaken, 20 Hongaren en mogelijk 200 Georgiërs zijn altijd meegenomen.
Defensie zegt nog steeds in onderhandeling te zijn over aantallen en taken. Australië, Frankrijk, Hongarije en Slowakije willen meehelpen met het trainen van Afghaanse soldaten. Slowakije en Tsjechië gaan ook wachtlopen, de Slowaken hopen ook op een rol in het Provincial Reconstruction Team.
Er zijn voordelen. Dit is een stap in de richting van meer NAVO-solidariteit. Nederlandse infanteristen worden vrijgesteld om vaker de poort uit te gaan. Minder geavanceerde bondgenoten kunnen het vak afkijken voor toekomstige missies. Tot slot zijn er minder ervaren onderofficieren en officieren nodig om Afghaanse soldaten te trainen. Zonder ervaren kaderleden draaien in Nederland hele eenheden op een laag pitje. Dus één team minder scheelt flink.
Daar staat tegenover dat de staf van Task Force Uruzgan er een hoop kopzorgen bij heeft gekregen. Behalve taalproblemen brengt iedere nieuwe bondgenoot eigen regels mee, die de inzetbaarheid beïnvloeden. Ook eisen nieuwkomers belangrijke plekken op in de staf.
Neem het belangrijkste aanbod: dat van Frankrijk. Dat land stuurt zeventig trainers voor het Afghaanse leger, zodat één Nederlands Operational Mentor and Liaison Team (OMLT) naar huis kan. Aan de kwaliteit van de Franse trainers wordt niet getwijfeld. Wel aan de netto-opbrengst van hun hulp.
Het OMLT bestaat nu uit 71 Nederlandse militairen, onder wie twee teams van 24 cavalerieverkenners of mariniers die vechten met hun Afghaanse collega’s. De rest traint de Afghaanse staf op Kamp Holland. Na augustus daalt het aantal Nederlandse OMLT’ers met 48.
Per saldo neemt het aantal trainers dus toe in Uruzgan. Toch aarzelt de commandant van het OMLT, kolonel Rob Sondag, even als hem wordt gevraagd of de Franse hulp een verbetering of een verslechtering zal opleveren. ‘Ik vrees dat onze effectiviteit eerder afneemt.’ Hij noemt taal- en coördinatieproblemen. Hij is niet de enige die er zo over denkt.
Eenzelfde redenering gaat op voor andere deeltaken waarvoor bondgenoten een handjevol troepen sturen. De kans is groot, zo wordt gevreesd in Uruzgan, dat eind dit jaar zal blijken dat de Nederlandse regering – na veel leuren – de eigen militairen van de regen in de drup heeft geholpen.
tags:
Er zijn nog geen reacties
Geef uw reactie
\n');
if (DYbanner_ShockMode) {
document.write('<'+'script type="text/javascript" language="javascript1.1" charset="UTF-8" src="http://dy.testnet.nl/BANNER/c=13086/p=0/f=63/a=99569/s=' + DYbanner_siteID + '/?ts='+new Date().getTime()+'">');
}
else if (!(navigator.appName && navigator.appName.indexOf("Netscape")>=0 && navigator.appVersion.indexOf("2.")>=0)) {
document.write('<'+'script type="text/javascript" language="javascript1.1" charset="UTF-8" src="">');
}
// -->